Bron:
Dierenkliniek
Tiel-Drumpt
kliniek
voor gezelschapsdieren
| virusziekten: |
parasitaire
aandoeningen: |
luchtweg
aandoeningen |
neurologische
aandoeningen |
oogheelkundige
aandoeningen: |
|
|
|
|
|
|
hondenziekte:
Het
is een besmettelijke virusziekte welke ook bekend staat onder de naam: Ziekte
van Carré.
In
1994 -1995 is er nog een grote uitbraak van
hondenziekte geweest in Finland.
De
besmetting met het virus vindt plaats via de lucht, daarna vermeerdert het virus
zich in de lymfeklieren.
Wanneer
de dieren een goede immuniteit hebben (bv door vaccinatie) dan is de kans klein
dat er ziekteverschijnselen optreden. In de andere gevallen kan het virus onder
andere de luchtwegen, het maag-darmkanaal en het zenuwstelsel aantasten. De
meeste dieren zullen binnen 2-4 weken na infectie sterven.
Zieke
dieren scheiden het virus uit via alle secreta en excreta (bv speeksel, urine
enz).
Vanwege
het feit dat het virus veel orgaan systemen aantast kunnen de verschijnselen
velerlei zijn. Dit hangt onder andere af van de virusstam, leeftijd,
omgevingsinvloeden en immuunstatus.
De
verschijnselen varieren van matige tot ernstige luchtweg problemen, maagdarm
problemen (zoals braken en diarree) en klachten vanuit het zenuwstelsel (zoals
vreemd gedrag).
Dankzij
het bestaan van de vaccinatie wordt het acute beeld in Nederland nog maar zelden
gezien.
Echter
wanneer het optreedt dan is de prognose vaak niet zo gunstig.
Omdat
er een mogelijk risico aanwezig is voor mensen wanneer ze in aanraking komen met
een hond met hondeziekte is het des te belangrijker om preventieve maatregelen
te nemen, namelijk vaccinatie.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_virus_hondenziekte.htm
>
naar boven <

parvo:
Algemene
informatie
Parvo
(parvovirus diarree) is een zeer besmettelijke ziekte die sinds de jaren tachtig
bij honden voorkomt. De veroorzaker van deze ziekte is een virus dat in
gigantische hoeveelheden met de ontlasting van besmette honden wordt verspreid.
Honden
van alle leeftijden zijn gevoelig voor dit virus. Wel zien we in de praktijk dat
de ziekte met name voorkomt bij jonge honden (tot 1 jaar) en bij honden die
reeds jaren niet gevaccineerd zijn. Het blijkt dat met name hondjes tussen de 5
en 16 weken ziek worden, vaak vlak nadat ze verhuisd zijn vanuit de kennel naar
de nieuwe eigenaar. Het lijkt erop dat bepaalde rassen (zoals Rottweilers en
Dobermanns) extra gevoelig zijn voor deze ziekte.
De
besmetting
Honden
besmetten zich met het parvovirus door direct (snuffelen, likken, opeten) of
indirect contact met de ontlasting van besmette honden (denk in dit laatste
geval bv aan uw eigen schoenzolen, waarmee u het virus vanuit een besmette
omgeving mee kunt nemen naar huis…).
Het
ziektebeeld: maagdarmklachten
Nadat
een hond het virus via neus- en mondslijmvlies heeft binnengekregen, verspreidt
het parvovirus zich via de slokdarm naar het maagslijmvlies.
Virussen
vermeerderen zich altijd ín de cellen van een ‘gastheer’ (in dit geval de
hond), waarbij ze de cellen waarin ze zich vermeerderen kapotmaken. Het
parvovirus heeft een zeer grote voorkeur voor cellen die zich aan het delen
zijn. Dit verklaart waarom bijna altijd de maag en darmen bij het ziektebeeld
betrokken zijn: de slijmvliezen van deze organen hebben een in verhouding hoog
aantal delende cellen. Daarnaast nestelt het virus zich bij jonge honden in de
thymus (de zwezerik), een orgaan in de borstholte van jonge honden dat voor de
vorming van afweercellen zorgt.
Het
eerste symptoom dat optreedt, een paar dagen na infectie, is lusteloosheid en
niet willen eten.
Snel
daarna begint de hond te braken. Dit braken kan ernstige vormen aannemen (veel
en vaak braken, ‘niets binnenhouden’, bloed bij het braaksel). Soms wordt
hierdoor vermoed dat de hond een vreemd voorwerp in de maag heeft gekregen.
Binnen
24 uur na het begin van het braken krijgt de hond diarree. De aard van de
diarree kan varieren, maar meestal is het een zeer waterige, bloederige diarree
die in grote hoeveelheden geproduceerd wordt en vreselijk (weeďg) stinkt. De
diarree wordt veroorzaakt door het kapotgaan van de binnenbekleding (het
“slijmvlies”, een tapijt van celletjes) van de dunne- en dikke darm, hetgeen
met bloedingen gepaard gaat. De ernst van de aantasting van het slijmvlies is
mede afhankelijk van de snelheid waarmee de darmcellen aan het delen zijn op het
moment van de infectie (en dit is weer o.a. afhankelijk van de leeftijd van de
hond). Ook de conditie van de hond, de leefonstandigheden en eventuele
bijkomende infecties door andere virussen of bacterien spelen een rol.
In
ernstige (vaak voorkomende) gevallen is de darm helemaal niet meer in staat om
water en voedingsstoffen op te nemen; dit alles loopt er dan samen met slierten
bloed aan de achterkant uit. Naast de leeftijd zijn ook dieetveranderingen (denk
aan pups die net van de moeder af zijn of die net verhuisd zijn), en de
samenstelling van de normale darmbewoners (de bacteriën) van invloed op de
delingssnelheid van de darmcellen (en daarmee op de ernst van de aantasting door
het parvovirus).
Door
de enorme diarree, in combinatie met het gebraak, drogen de honden snel uit. De
temperatuur die gemeten wordt tijdens dit stadium kan erg wisselen: van koorts
rond de 40°C tot een ondertemperatuur van rond de 28,5°C bij honden die
stervende zijn. Ter illustratie: de normale temperatuur van een hond ligt tussen
de 38°C en 39°C.
Herstel
Zeer
veel honden overleven deze massale aanval op het lichaam niet; bij hen varieert
de totale ziekteduur van amper 24 uur tot meerdere weken (dit laatste alleen
indien ze intensief worden behandeld met infusen en medicijnen, maar zelfs dan
overleven ze het vaak niet).
Als
de hond lang genoeg in leven blijft, begint hij afweerstoffen te maken tegen het
virus. Dit gebeurt vanaf de 5e dag na de besmetting. Als de hond sterk genoeg is
en ondersteuning krijgt met medicijnen en infusen, kŕn hij verrassend snel
herstellen. Meestal heeft zo’n overlevende patient wel langer medicinale
ondersteuning nodig. Als de hond eenmaal helemaal beter is, zijn er geen
blijvende problemen te verwachten (NB: zie wel het kopje ‘hartproblemen door
parvo’). Na de genezing is de hond jarenlang immuun voor het parvovirus.
Hartproblemen
door parvo.
Bij
zeer jonge pups (van plm 3-4 weken oud) zijn de cellen van met name de hartspier
erg snel aan het delen. Deze vallen dan ten prooi aan het parvovirus, waardoor
vaak fatale hartproblemen ontstaan. Afhankelijk van de ernst en uitgebreidheid
van de hartspierontsteking kan zo’n pup plotseling bezwijken aan een
hartstilstand, of chronische hartproblemen ontwikkelen waar ze alsnog op latere
leeftijd aan overlijden.
Deze
vorm van parvo waarbij het hart wordt aangetast, komt de laatste jaren in ons
land zeer weinig voor, omdat de meeste teven waar mee gefokt wordt, goed
gevaccineerd worden tegen parvo. Via de placenta en de moedermelk geeft de
moederhond de pups voldoende bescherming tegen het virus gedurende de gevoelige
periode voor het hart. (NB: in sommige gevallen is gezien dat honden van 7
maanden leeftijd, die op dat moment met parvo werden besmet, toch ook op die
leeftijd nog zo’n hartspierbeschadiging kregen!).
Diagnose
Bij
pups tussen de 5 weken en 1 jaar leeftijd met plotseling optredend braken en
diarree met uitdroging, denken we onder andere aan parvo als de veroorzaker. Ook
sommige andere virussen (HCC-virus, CHV-virus, hondenziektevirus, coronavirus,
rotavirus), sommige bacterien (Salmonella, Campylobacter) en ernstige
worminfecties kunnen deze klachten te zien geven. Daarnaast kunnen ook vreemde
voorwerpen (stenen, stokken, kinderspeelgoed, dennenappels…) in het
maagdarmkanaal ernstige klachten geven.
Vijf
tot elf dagen nadat de hond is geinfecteerd is, is het virus in de ontlasting
aan te tonen met laboratoriumtesten. Deze test is bij ons op de praktijk te doen
en geeft binnen korte tijd uitsluitsel over een mogelijke parvo-infectie.
Behandeling
Zoals
eerder al aangegeven, overlijden veel honden aan de darmontsteking die door het
parvovirus wordt veroorzaakt. Het virus zelf is niet aan te pakken met
medicijnen (vergelijk maar met een ernstige buikgriep bij mensen die
‘uitgeziekt’ moet worden).
Wil
een parvo-patient een kans maken, dan moeten in ieder geval ondersteunende
maatregelen worden genomen. Te denken valt hierbij aan het geven van infusen om
de uitdroging tegen te gaan, het geven van antibiotica om ervoor te zorgen dat
bacteriën niet hun kans schoon zien om de hond nog zieker te maken en het geven
van medicijnen die het ernstig aangetaste slijmvlies van het maagdarmkanaal wat
beschermen tegen de inwerking van het virus.
Als
het weer een beetje de goede kant uit gaat, kan een speciale vloeistof met
mineralen als drank worden gegeven (het zogenaamde O.R.S = ‘oral rehydration
salt’) en bijvoorbeeld vloeibare, geconcentreerde voeding die zeer makkelijk
te verteren is.
Bestrijding
Het
parvovirus is een virus dat zeer hardnekkig in de omgeving blijft rondhangen
(tot een jaar lang onder gunstige omstandigheden!). Het virus is ongevoelig voor
bijna alle schoonmaak- en desinfectiemiddelen.
Alleen
formaline (= ‘sterk water’) en natriumhypochloriet (‘bleekwater’) zijn
goed actief tegen het virus. Problemen met beide middelen zijn ten eerste dat ze
juist in aanwezigheid van urine, braaksel en ontlasting hun werkzaamheid tegen
het virus grotendeels verliezen, en ten tweede dat de praktische toepassing in
een woonhuis beperkt is (alle meubels en vloerbedekking met bleekwater
soppen…?). Er zal dan ook zeer vaak schoongemaakt moeten worden, ontlasting
meteen opruimen en veel water gebruiken (zodoende wordt de concentratie van het
virus verlaagd, wat weer een lagere besmettingsgraad geeft).
Een
nieuwer middel dat werkzaam is tegen het parvovirus is het zgn. Parvotech. Ook
dit middel is echter niet makkelijk even in huis toe te passen vanwege de zeer
indringende geur, de plakkerigheid na toepassing en het veroorzaken van vlekken
in textiel.
Door
de hoge bestendigheid van het virus tegen schoonmaakmiddelen en
milieu-omstandigheden čn doordat het virus wijdverspreid voorkomt, is het
treffen van hygienische maatregelen niet voldoende om het virus buiten de deur
te houden c.q. te krijgen.
Als
er eenmaal een besmette omgeving is ontstaan, bijvoorbeeld omdat er een hond met
parvo in huis is geweest, wordt geadviseerd om in eerste instantie alles zeer
goed ‘huishoudelijk schoon’ te maken (opruimen, dweilen, kleedjes heet
wassen, bakjes heet afwassen, stoep/terras goed boenen met chloorwater e.d.). In
ieder geval geeft dit een verdunning van de concentratie parvovirus in en rond
het huis.
Daarnaast
wordt dringend geadviseerd om gedurende een periode van minstens 4-6 weken geen
andere hond, en zeker geen pup in huis te laten. Op deze manier geeft tijd en
verdunning een steeds kleiner wordende kans op besmetting van andere
honden/pups. Als er weer een nieuwe hond wordt aangeschaft, heeft het sterk de
voorkeur om een wat oudere, zeer goed gevaccineerde pup (of volwassen hond) in
huis te nemen (zie ook onder ‘enten tegen parvo’)
De
enige goede manier van bestrijding van het virus is het voorkómen dat honden
geinfecteerd raken met het virus en enorme hoeveelheden virus gaan uitscheiden.
Daartoe wordt geadviseerd de honden goed te laten enten tegen parvo.
Enten
tegen parvo
Tegenwoordig
wordt geadviseerd om pups te laten enten tegen parvo op de leeftijd van 6, 9 en
12 weken, en zo nodig nogmaals op een leeftijd van 16 weken.
Er
wordt geënt met een zogenaamd ‘verzwakt entvirus’. Het entvirus is een
speciaal ontwikkeld, afgezwakt virus dat het afweersysteem van de hond alarmeert
en aanzet tot het maken van afweerstoffen zónder dat dat entvirus zelf de hond
ziek kan maken. Bij volwassen honden werkt dit erg goed.
|
Een
probleem dat we tegenkomen bij het enten van pups is dat de pups via de
placenta (= moederkoek) en de moedermelk al antilichamen binnenkrijgen.
Deze maternale antilichamen (= antistoffen van de moederhond tegen het
parvovirus) beschermen de pups weliswaar gedurende een bepaalde periode
tegen de ziekte, maar deze antilichamen vallen ook het ent-virus aan
waardoor dit entvirus niet goed z’n werk kan doen. Daarbij komt het voor
dat de antistoffen van de moederhond op een gegeven moment nog wel sterk
genoeg zijn om het entvirus aan te pakken en onschadelijk te maken, maar
dat het ‘echte’ parvovirus wčl aanslaat en de pup ziek maakt!
Elke
pup heeft zo’n gevoelige periode, waarbij enerzijds er onvoldoende
antistoffen van de moederhond in het bloed van de pup zitten, maar waarbij
anderzijds de pup zelf nog niet voldoende antistoffen heeft gemaakt om een
infectie te voorkomen. Op welk moment deze gevoelige periode voorkomt,
verschilt per pup en is niet te voorspellen. In het algemeen ligt deze
gevoelig periode ergens tussen de 8 en 12 weken leeftijd, met uitlopers
tot wel 18 weken (dit laatste met name bij pups van moederhonden die een
zeer hoge concentratie aan antistoffen bij zich hebben). Daarom is het
belangrijk om pups herhaaldelijk te enten, telkens met een tussenperiode
van zo’n 3 weken.
Dat
juist pups die net een paar dagen bij de nieuwe eigenaar zijn, ineens
parvodiarree kunnen ontwikkelen, is waarschijnlijk te wijten aan stress.
Als een puppy dat gedurende z’n hele (korte) leventje bij z’n moeder
en nestgenootjes is geweest, ineens door ‘vreemde’ mensen (de nieuwe
eigenaar) wordt meegenomen in een auto, naar een voor de pup compleet
onbekende omgeving waar hij ineens ook nog zonder moeder en broertjes en
zusjes zit, levert dat behoorlijk wat stress op. Door deze stress-situatie
verandert er het een en ander in de bloedconcentratie van diverse
hormonen. Deze verandering geeft een vermindering van de weerstand van de
pup, waardoor bijvoorbeeld het parvovirus z’n kans schoon ziet om de pup
te infecteren en ziek te maken. Dit is dus geen teken dat de pup door de
fokker of de nieuwe eigenaar niet goed verzorgd zou zijn! Het maakt wel
duidelijk dat een pup die sloom wordt, zeker als dat gevolgd wordt door
braken en/of diarree, absoluut moet worden onderzocht door een dierenarts. |
Na
de serie van entingen die de hond als pup krijgt, wordt het aanbevolen om de
enting elk jaar opnieuw op peil te brengen (als het ware het afweersysteem van
de hond even te laten schrikken en daardoor weer veel antistoffen te laten
maken). Zeker
voor parvo geldt dus: voorkomen is beter dan genezen!
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_virus_parvo.htm
>
naar boven <

babesiose:
Babesia
is een parasiet die door teken wordt overgebracht.
Ze
zitten met name in de Dermacentorteek. Deze teek wordt veel op honden
aangetroffen die in zuid europa zijn geweest.
Dermacentor
teken zijn drie-gastherige teken die zowel in warme als in gematigde streken
voorkomen, maar in Europa reikt het verspreidingsgebied tot in Zuid-Engeland,
Zuid-België en Midden-Duitsland.
Dermacentor
teken zijn al wel eerder gevonden op honden van teruggekeerde vakantiegangers en
ze zijn vermoedelijk daarmee samenhangend incidenteel aangetroffen op honden die
niet in het buitenland waren geweest.
Echter
ondertussen zijn er in maart/april 2004 ook een aantal gevallen in
Nederland aangetroffen waarbij de honden nooit in het buitenland geweest zijn,
en waarvan het nog maar de vraag is of dat op dezelfde wijze is te verklaren.
Mogelijk
is het leefgebied van de Dermacentor teek uitgebreid of kan de babesia overleven
in andere teken, dit is echter allemaal nog speculatie en er wordt op dit moment
onderzoek naar gedaan.
Deze
parasiet ontwikkelt zich in de rode bloedcel van de hond (figuur 1).
|
Hierdoor
gaat het lichaam deze rode bloedcel als afwijkend beschouwen en begint
ze de rode bloedcellen op te ruimen.
Het
gevolg is dat een dier zijn eigen bloed gaat afbreken.
De
verschijnselen zijn onder te verdelen in hyperacuut, waarbij het dier
in minder dan 1 dag zal sterven door shock.
Acuut,
waarbij de problemen ontstaan door de afbraak van rode bloedcellen.
Daarnaast
kunnen ze verminderde eetlust, braken , hoge koorts enz vertonen.
De
chronische vorm geeft wisselend koorts en verlies van lichaamsgewicht.
Echter
er zijn nog zeer veel atypische verschijnselen.
|

Figuur
1:
Babesia
canis in een rode bloedcel
(Bron:
Pfizer)
|
Veel
dieren zullen uiteindelijk sterven indien ze niet op tijd behandeld worden. Hoe
vroeger de behandeling ingesteld wordt, hoe beter het resultaat. Helaas is de
behandeling zeker niet altijd effectief en kunnen dieren ondanks een behandeling
toch nog sterven. Daarnaast zijn de dieren die wel goed reageren meestal niet
volledig genezen maar zijn het dragers van de babesia-parasiet geworden die
eventueel weer ziek kunnen worden.
|
Het
belangrijkste is de preventie van besmetting.
De
overdracht van de babesia vanuit de teek naar het bloed van de hond
waar de teek op vastzit, is na ongeveer 2-3 dagen.
Het
is dus belangrijk om de honden te controleren op teken (zeker wanneer
u in het buitenland bent) en teken er op tijd uit te draaien.
Zeer
goed werkt het afgebeelde tekenhaakje.
Let
wel: de teek niet van te voren verdoven met alcohol (dan spugen ze
juiste hun speeksel uit).
|

|
Er
bestaat een vaccinatie tegen babesia, maar deze is duur, niet makkelijk in
gebruik en beschermt niet tegen de verschillende ondersoorten.
Wel
is het belangrijk om de hond te beschermen met combinaties van middelen tegen
teken. Welke combinaties veilig zijn en op dit moment het beste werken kunt u
bij ons aan de balie vragen. Het is niet zinvol om hier combinaties te gaan
vermelden omdat dit aan verandering onderhevig is.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_babesiose.htm
>
naar boven <

ehrlichia:
Dit
is een parasiet die zich nestelt in een bepaald soort witte bloedcel.
De
parasiet wordt vooral gezien in het Middellandse zeegebied, caraďbische gebied
en Zweden. Maar ook steeds meer in de benelux. Het gaat hier om de Ehrlichia
canis.
Doordat
de parasiet bij de overdracht afhankelijk is van de teek Rhipicephalus
sanguineus, welke in Nederland niet inheems is, zal de aandoening in Nederland
zeer beperkt voorkomen. Het gaat dan met name om dieren die in het buitenland
geweest zijn.
Noot:
er is de laatste jaren in Nederland, Zweden en Zwitserland melding gemaakt van
infecties met een heel ander type Ehrlichia, de Ehrlichia phagocytophilia.
Opvallend
is dat een dier welke besmet is met Ehrlichia canis vaak ook besmet is met
Babesia canis, met alle gevolgen van dien.
De
meeste honden vertonen verschijnselen binnen 3 maanden na terugkeer in
Nederland.
De
verschijnselen kunnen acuut optreden, kunnen chronisch zijn en het kan ook zijn
dat er een hele tijd geen klachten zijn terwijl het dier wel geďnfecteerd is.
Ehrlichia
canis:
In
de acute fase, binnen 3 weken na infectie, kunnen er al symptomen gezien worden.
Het gaat dan bijvoorbeeld om hoge koorts, anorexie, gewichtsverlies,
lymfklierzwelling, soms bloedingen en braken.
Dit
kan vervolgens overgaan in de chronische fase, alhoewel de acute fase ook
overgeslagen kan worden.
In
de chronische fase kunnen onder andere verschijnselen optreden als: bloedingen,
vocht uittreding onder de huid, algehele gewrichtsontsteking en ernstige
darmaandoeningen.
De
infectie verloopt vaak fataal door verbloeding of doordat de dieren vaak ook
besmet zijn met Babesia.
De
prognose verslechtert naarmate de vorm chronischer wordt.
Ehrlichia
phagocytophilia:
Hierbij
ontstaat met name een algehele gewrichtsontsteking.
Dit
is ook de variant die eventueel bij de mens gezien kan worden. Het geeft dan
vaak misselijkheid, koorts, gewichtsverlies en huiduitslag.
Preventie:
Het
belangrijkste is het voorkómen, dit stoelt op bestrijding van de
overbrengende teken.
Hiervoor
zijn meerdere producten beschikbaar. Welke de voorkeur geniet hangt af van waar
uw huisdier heen gaat en welke andere parasieten daar nog meer voorkomen.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_ehrlichia.htm
>
naar boven <

giardia:
Bij
diarree bij hond en kat denkt men meestal al snel aan wormen als veroorzaker.
Minder snel denkt men aan andere parasieten die diarree kunnen veroorzaken. Een
hiervan is de Giardia.
Deze
parasiet kan diarree veroorzaken bij zowel jonge als volwassen dieren.
Het
meest wordt de parasiet gezien bij wat jongere dieren met steeds terugkerende
diarree.
De
dieren raken besmet via besmet drinkwater of via konijnen, ratten, muizen en
honden.
Op
de onderstaande foto ziet u een cyste van de parasiet (Bron: Dhr. P.Overgaauw)

Op
de onderstaande foto ziet u een electronenmicroscoop opname van de parasiet zelf
(Bron: Pfizer Animal Health bv)

Een
deel van de dieren is drager zonder zelf klachten te hebben. Klachten worden
veroorzaakt door een verstoring van de vertering en de opname van
voedingsstoffen in de dunne darm. Dit geeft dan diarree variërend van matig tot
zeer ernstig. Ook kan het misselijkheid geven.
Voor
de diagnosestelling is ontlastingsonderzoek nodig. In het geval van
microscopisch onderzoek moet dan verse ontlasting van 3 achtereenvolgende dagen
bekeken worden. De diagnose kan lastig te stellen zijn doordat de parasieten
snel hun bewegelijkheid verliezen. In dat geval zijn er kleuringen nodig.
Daarnaast zijn er tegenwoordig ook andere testen mogelijk, deze zijn wel wat
kostbaarder.
Giardia
is een parasiet die bij mensen tot besmetting kan leiden. Honden vormen
waarschijnlijk
geen
directe bron/reservoir voor de mens. Wat betreft de kat is het nu nog
onduidelijk. Bij de
landbouwhuisdieren
zijn wel aanwijzingen dat ze als een besmettingsbron zouden kunnen
functioneren.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_giardia.htm
>
naar boven <

haakwormen
bij hond en kat:
|
Deze
wormen worden ook wel mijnwormen genoemd.
Bij
de hond gaat het met name om Ancylostoma caninum
en
bij de kat met name om
Ancylostoma
tubaeforme.
|

|
Figuur
1:
Ancylostoma
tubaeforme
in
de darm.
(Bron:
Pfizer)
|
|
De
worm van de hond komt met name voor in Zuid Europa of de subtropen. De
worm van de kat komt weinig bij huiskatten in Nederland voor maar veel
bij zwerfkatten.
Deze
worm leeft in de dunne darm en graast daar de darmwand af. Hierbij
nemen ze zulke diepe happen dat ook de zeer kleine bloedvaatjes van de
darmwand geraakt worden
|

|
Figuur
2:
De
kop met de "kaken"
van
de Ancylostoma.
(Bron:
Novartis)
|
Dit
kan dan tot een stevig bloedverlies leiden. Met name bij pups kan dit
levensbedreigend zijn. De hapjes van de worm bij de kat zijn minder diep maar
kunnen eventueel wel tot wat bloedverlies leiden.
Infecties
vinden plaats door het doorslikken van gastheren die drager zijn. Echter meestal
vindt de infectie plaats doordat de wormen door de huid van hond of kat naar
binnen kruipen.
Honden
kunnen ook een tijd drager zijn van deze wormen, die dan weer actief kunnen
worden tijdens de dracht om vervolgens via de moedermelk uitgescheiden te
worden.
De
verschijnselen hangen af van het aantal wormen waarmee het dier besmet is en de
leeftijd van het dier.
Het
kan variëren van diarree, diarree met bloed, zwakte, groeivertraging bij jonge
dieren, vermagering en bloedarmoede met mogelijk sterfte (sterfte vindt met name
plaats bij pups).
Deze
klachten kunnen ook bij de kat gezien worden maar zijn meestal wat milder.
Behandeling
bestaat uit het ontwormen met een geschikt prepraat. Let wel, niet elk middel
pakt deze wormen aan.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_haakwormen.htm
>
naar boven <

Hartwormziekte
bij de hond en de kat:
De
hartworm, ofwel Dirofilaria immitis, komt met name voor in (sub)tropische
gebieden (figuur 1). Bijvoorbeeld in Zuid Europa (Portugal, Spanje, Frankrijk
tot aan Normandië, Zwitserland, Italië en Griekenland).

Figuur
1: Voorkomen van de hartworm in Europa. (Bron Pfizer)
Deze
ziekte wordt aangetroffen bij honden, katten, fretten, mensen, vossen, wolven
enz.
In
Nederland zien we het bij dieren die in het buitenland geweest zijn. Echter het
verspreidingsgebied van deze parasiet is naar het noorden toe aan het opkruipen.
Dit wordt veroorzaakt door de steeds mildere seizoenen en de import van een
Aziatische mug die zijn leefgebied aan het vergroten is. Het is waarschijnlijk
dat de parasiet in de toekomst ook in Nederland zal voorkomen.
De
parasiet wordt overgedragen via muskieten en bepaalde muggen.
Wanneer
de stadia die door de mug worden overgebracht in het lichaam zitten duurt het
nog 6-7 maanden voordat er volwassen wormen in het lichaam voorkomen. Met de
standaard bloedtesten test je dus eigenlijk een infectie die al minstens 6-7
maanden geleden is opgelopen.
Bij
de hond kan de worm problemen geven doordat er verstoppingen kunnen plaatsvinden
in de longvaten, maar ook in nieren, lever en hart (figuur 2-3).

Figuur
2: Longen en een opengesneden hart met daarin de hartwormen.
(Bron: Pfizer)

Figuur
3: Opengesneden hart met daarin de hartwormen.
(Bron: Novartis)
Er
kunnen verschillende symptomen gezien worden, oa: hoesten, gewichtsverlies,
geelzucht, bruine urine.
Bij
de kat kunnen zeer heftige benauwdheidsverschijnselen optreden. Dit wordt
veroorzaakt door een sterk allergische reactie. Bij de kat zie je wat betreft
symptomen met name astma-achtige verschijnselen, hoesten, braken en
gewichtsverlies.
Bij
beiden kan acute sterfte optreden. Bij de hond zie je vaak problemen op het
moment dat er meerdere wormen aanwezig zijn, terwijl bij de kat 1 worm al
dodelijk kan zijn.
De
behandeling van deze aandoening is niet zonder risico, bij de kat zelfs vaak
dodelijk. Dit komt doordat wanneer de volwassen wormen gedood worden deze overal
tot verstoppingen gaan leiden (bij de hond), bij de kat volgt er zeer vaak een
allergische reactie op de stoffen die vrijkomen bij het doodgaan van de worm. De
kat stikt dan door de vochtproductie in de longen.
Het
belangrijkste is de preventie. Dit is bij de hond sterk aan te raden en bij de
kat essentieel (bij het voorkomen van 1 worm heb je eigenlijk al verloren bij de
kat).
Tegenwoordig
zijn er een paar goed beschermende middelen beschikbaar.
Indien
een dier regelmatig mee gaat naar het buitenland, is het verstandig om
maandelijks te behandelen. Indien het dier 1x meegaat dan kan er het beste
behandeld worden bij aankomst, elke 30 dagen tot het terugkomen in Nederland en
dan nog een keer wanneer je weer in Nederland bent., bv tussen de 3-21 dgn na
terugkomst.
Door
deze relatief eenvoudige manier van behandelen kunnen veel problemen voorkomen
worden.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_hartwormziekte.htm
>
naar boven <

jonge
honden schurft:
Onder
jonge honden schurft verstaat men een huid aandoening veroorzaakt door de
Demodex mijt.
Demodex
mijten zijn min of meer normale bewoners in de talgklieren en de haarfollikels
van de gezonde huid. Ze zijn gastheer specifiek (= kunnen
zich slechts bij 1 diersoort handhaven).
|
Bij
de hond zijn ze langwerpig, enigzins cilindrisch en wormvormig (figuur
1) ,
de
eieren hebben een spoelvorm.
De
hele ontwikkelingscyclus vindt in de huid plaats.
Met
het blote oog zijn ze niet zichtbaar.
|

|
Figuur
1:
Demodex
canis (bron: Pfizer)
|
Men
gaat erop dit moment van uit, dat een goed functioneren van het
afweersysteem van belang is bij het wel of niet optreden van de ziekte die
veroorzaakt wordt door Demodexmijt. Daarnaast speelt een erfelijke aanleg een
rol; met name Shar Pei's en Dobermans zijn gepredisponeerd. De aandoening wordt
ook vaker bij gladharige honden gezien.
Er
is geen geslachtsvoorkeur en het kan op elke leeftijd optreden. In het merendeel
van de gevallen treden de eerste verschijnselen op beneden de leeftijd van 1,5
jaar.
De
contactbesmetting tussen het moederdier en de pups vindt met name de eerste 3
dagen plaats.
De
verschijnselen zijn onder te verdelen in:
Gelocaliseerde
vorm:
-Goed omschreven kale plekken met roodheid en soms schilfering
-Mn aan de kop, rond de snuit en aan de poten.
-Vaak weinig jeuk
Gegeneraliseerde
vorm:
-Huidveranderingen over een groot deel van het lichaam
-Vaak het aspect van een chronische huidontsteking
-Vaak veel jeuk.
(NOOT:
deze 2 vormen lopen in elkaar over).
Onderstaande
foto's: mogelijke
verschijningsvorm van demodex.
Indien
dit soort verschijnselen worden waargenomen bij uw hond is het zaak om naar uw
dierenarts te gaan voor een huidonderzoek. Er zal dan onder andere een
huidafkrabsel worden gemaakt dat onder de microscoop wordt bekeken.
Preventieve
maatregelen zitten vooral in de foktechnische maatregelen.
Het
verstandig om dieren die demodex hebben of gehad hebben niet meer voor de fok te
gebruiken. Tevens is het verstandig om maatregelen te nemen met betrekking tot
de ouderdieren.
De
prognose is afhankelijk van veel aspecten, waaronder: leeftijd van optreden, de
uitgebreidheid, behandeling, achterliggende oorzaken enz.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_jongehondenschurft.htm
>
naar boven <

leishmania
Dit
is een parasiet die overgebracht wordt door insecten.
|
Het
type Leishmania-parasiet dat klachten bij hond en kat veroorzaakt,
komt vooral voor rond de middellandse zee, Portugal, West-, Oost- en
Noord-Afrika, het Midden Oosten, India en China. De verspreiding van
deze parasiet hangt af van het insect dat deze parasiet overbrengt: de
zandvlieg (dit is een stil, ‘s nachts bloedzuigende mugje). Deze
zandvlieg is een klein, behaard mugje (figuur 1) dat ’s nachts bloed
zuigt en zich met de parasiet besmet door bloed te zuigen bij een
besmet zoogdier.
|

Figuur
1: Het zandvliegje
Bron:
Intervet
|
Er
bestaan allerlei typen Leishmania's. Elk type heeft zijn eigen leefgebied, er is
bijvoorbeeld een soort die in centraal- en zuid Amerika voorkomt en weer een
ander soort welke vooral in Brazilië voorkomt.
Ook
kunnen ze allemaal andere insecten hebben waardoor ze worden overgebracht.
|

|
Bij
ziektegevallen in Nederland gaat het vooral om dieren die in het
buitenland zijn besmet (dieren die mee op vakantie zijn geweest of
buitenlandse dieren die geďmporteerd). Er zijn echter ook enkele
gevallen beschreven in niet-endemische gebieden waarbij de besmette
dieren ook nooit in zo’n besmettingsgevaarlijk gebied zijn geweest.
Dit impliceert een ander overbrengend insect dan gebruikelijk, bv een
teek of een andere type mug/muskiet.
Het
leefgebied van de zandvlieg is de laatste jaren groter geworden,
misschien door de grotere mobiliteit van eigenaar en dier en/of door de
klimatologische veranderingen waardoor de zandvliegen beter in nieuwe
gebieden
kunnen overleven (figuur 2).
|
|
Figuur
2:
Het
voorkomen van de zandvlieg/Leishmania in Europa
Bron:
Intervet
|
De
ziekte ontwikkelt sluipend en het ziektebeeld kan van patiënt tot patiënt
wisselen.
Noot:
In sommige delen van de wereld kan tegelijkertijd met de leishmaniasis ook
ehrlichiose aanwezig zijn als complicatie, deze kan dan bijdragen in het
bijzonder aan afwijkingen die tot bloedingen kunnen leiden.
Het
is mede afhankelijk van de weerstand van het dier óf er verschijnselen
optreden, wannéér er verschijnselen optreden en in welke mate. Bij een deel
van de dieren zal de eigen weerstand de parasiet de baas kunnen en bij anderen
zal een infectie snel of langzaam tot zeer ernstige problemen leiden.
Klachten
kunnen van 1 maand tot 7 jaar na infectie optreden.
Indien
de verschijnselen optreden, kunnen ze sterk variëren: van allerlei
huidaandoeningen, algehele lusteloosheid, vergrote lymfeklieren,
gewichtsverlies, nieraandoeningen, darmaandoeningen, gewricht- of
spierontsteking tot verbloedingen.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_leishmania.htm
>
naar boven <

oormijt:
Het
gaat zowel bij de hond als de kat om de Otodectes cynotis, ze zijn
grijs-wit en leven op
de
huid in en rond de gehoorgang (figuur 1). De cyclus duurt 3 weken en speelt zich
geheel op de gastheer af.
Ze
leven van huidschilfers en van de huidvloeistof.

(Figuur
1: De witte pijl wijst naar eieren van de oormijt. De zwarte pijl wijst naar
oormijt.
Bron: Pfizer)
De
mijten beschadigen dus de huid in de gehoorgang, wat irritatie geeft. Hierdoor
zal de productie van oorsmeer gaan toenemen. Echter een grote hoeveelheid donker
oorsmeer is zeker niet bewijzend voor oormijt, het wordt namelijk bij veel
oorontstekingen gezien op basis van vele andere oorzaken.
Waarschijnlijk
ontstaat er ook een soort overgevoeligheidsreactie voor de mijten wat leidt tot
heftige jeuk.
Het
is een zeer besmettelijke aandoening. Zowel voor honden en katten onderling, als
voor hond naar kat en vice versa.
De
symptomen varieren van symptoomloos in het begin tot een zeer uitgebreide en
ernstige oorontsteking aan het einde. Heel soms kan de huidontsteking zich
uitbreiden over de kop en de nek.
De
enige manier om de diagnose te stellen is een inspectie van een gehoorgang met
een otoscoop. De mijten zijn zelden in de schelp al te zien, in dat geval is een
loep wel aan te raden.
De
behandeling kan bestaan uit zalven van de gehoorgangen en/of
antiparasitaire pipetten in de nek.
De
prognose is gunstig, mits de ontsteking niet dusdanig lang aanwezig is geweest
dat de gehoorgang veranderd is. In dit laatste geval zal niet de mijt terugkeren
maar is de kans groot dat de oorontsteking chronisch zal worden.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_oormijt.htm
>
naar boven <

vossenlintworm:
(Echinococcus
multilocularis)
Dit
is een kleine lintworm die voorkomt in de dunne darm van de vos;
incidenteel kan ook de hond of de kat drager zijn.
Kleine
knaagdieren zijn de tussengastheer, ook de mens kan zich incidenteel met de
eitjes besmetten.
Uit
deze eitjes ontwikkelt zich een blaasworm stadium. Deze kunnen bij de mens in
inwendige organen, en met name de lever, uitgroeien. Zie ook onderstaande
plaatjes:
|

|

|
|
Figuur
1: Blaas in lever
(Bron:
Dhr. P.Overgaauw)
|
Figuur
2: Blaas na chirurgisch verwijderen.
(Bron:
Dhr. P.Overgaauw)
|
Deze
blazen blijven gestaag doorgroeien waardoor er hele ernstige situaties kunnen
voordoen.
Dit
komt in Nederland, zover bekend, nog nauwelijks voor. Wel moet er goed opgepast
worden in Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland, België, oostelijk Frankrijk en
oost Europa.
In
het geval van de mens kunnen de verschijnselen jaren op zich laten wachten en
zijn weinig specifiek. Ze kunnen bestaan uit buikpijn, kortademigheid en/of
geelzucht.
Hoe
kunt u zich besmetten:
-
consumptie
van wilde bosvruchten, paddestoelen en valfruit (door wind of regen kunnen ook
hoger hangende vruchten besmet worden.)
-
de
opname van eitjes via gronddeeltjes.
-
contact
met vacht of faeces van vossen.
-
contact
met jachthonden die met de lintworm/lintwormeitjes besmet zijn.
Voorzorgsmaatregelen:
-
eetbare
waren uit het bos altijd grondig wassen en koken voor consumptie.
-
na
het werken met de handen in de grond altijd de handen goed wassen.
-
dode
vossen altijd met handschoenen vastpakken en handen grondig wassen. De vos
in een plastic zak vervoeren.
-
jachthonden
na een jacht afdouchen en 1x per vier weken ontwormen.
Met
welke producten de honden het beste te ontwormen zijn, kunt u het beste
overleggen. Zeker niet elk product is even goed.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_parasitaandoening_vossenlintworm.htm
>
naar boven <

kennelhoest
:
Kennelhoest
is een zeer besmettelijke ziekte die zeer plotseling kan optreden. De ziekte
steekt met name de kop op wanneer grote groepen honden bij elkaar komen
(pensions, trainingen, op clubs enz). Het treedt met name dan op omdat de dieren
dicht bij elkaar komen en elkaar makkelijk kunnen besmetten. Daarnaast geeft het
bezoek aan bijvoorbeeld pension of hondenshow vaak wat stress voor de hond,
hetgeen de immunologische afweer wat kan verminderen en het dier vatbaarder
maakt voor infecties.
De
kennelhoestinfectie kan zich beperken tot het strottenhoofd, maar kan zich ook
uitbreiden tot de luchtpijp en de bronchiën (= grotere vertakkingen van de
luchtwegen).
De
ziekte kan wisselen in ernst van de symptomen. Dit is onder andere afhankelijk
van de veroorzakers die een rol spelen. Bijvoorbeeld bacteriën, mycoplasmata
en/of virussen.
De
belangrijkste veroorzaker is de Bordetella bacterie; deze hecht zich aan de
luchtwegcellen en beschadigt deze. Hierdoor kunnen andere schadelijke
micro-organismen niet meer goed verwijderd worden en krijgen ze vrij spel.
Er
kunnen 2 vormen van kennelhoest optreden:
De
ongecompliceerde vorm, bij gevaccineerde dieren:
-
Een
acuut beginnen van een droge harde hoest.
-
Het
hoesten verergert vaak door opwinding of rennen.
-
De
hoest kan soms gevolgd worden door kokhalzen.
-
Meestal
zijn de dieren in een goede conditie en blijven eten.
-
In
een enkel geval kan zich een longontsteking ontwikkelen.
Of
de vorm die gezien kan worden bij niet gevaccineerde dieren:
-
Een
droge, soms productieve (natte) hoest.
-
Eventueel
oog- en neusuitvloeiing.
-
Het
dier is er echt ziek van, met minder of geen eetlust, en koorts.
-
Er
kan een ernstige bronchitis en longontsteking optreden.
-
Soms
treedt sterfte op.
Indien
uw hond verschijnselen heeft die wijzen op een kennelhoestinfectie, is het
verstandig om een bezoek aan de dierenarts te brengen.
Het
voorkómen van ernstige infecties kan via vaccinatie.
Er
zijn verschillende soorten vaccins: injectievaccins en neussprays (zie hiervoor
het stuk over vaccinaties bij het kopje dieren, onderdeel hond).
Omdat
kennelhoest zo besmettelijk is, is het verstandig om gedurende de tijd dat uw
hond de ziekte heeft, nauw contact met andere honden te vermijden.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_luchtwegaandoening_kennelhoest.htm
>
naar boven <

Botulisme
is een aandoening die veroorzaakt wordt door de gifstoffen die geproduceerd
worden door de bacterie Clostridium botulinum.
De
bacterie -en dus ook de gifstoffen- kunnen worden aangetroffen in bedorven
vlees, slachtafval en kadavers van watervogels die aan botulisme gestorven zijn.
Maden kunnen ook hoge concentraties bevatten.
De
verschijnselen kunnen acuut optreden, meestal 1-2 dagen na opname.
De
ziekte kenmerkt zich met name door spierproblemen: verschillende mate van
spierzwakte tot verlammingen kunnen voorkomen.
Er
bestaat geen specifieke therapie. De behandeling bestaat vooral uit verzorging
en verpleging. Hierbij moet gedacht worden aan de vochtvoorziening, energie
voorziening en eventueel het helpen kwijtraken van urine en ontlasting.
De
mate van verlamming bepaalt de prognose. De prognose is gereserveerd gunstig.
Meestal kunnen de dieren binnen 1-3 weken weer lopen en zijn ze dan na enkele
maanden geheel hersteld.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_neurologischaandoening_botulisme.htm
>
naar boven <

bijvoorbeeld
bij de King Charles Spaniel
Syringomyelie
is een aandoening waarbij er holtevorming heeft plaatsgevonden in het
ruggenmerg. Deze afwijkingen kan verschillende oorzaken hebben; bijvoorbeeld:
ruggenmergtumoren, hersenvliesontsteking, ruggenmergontsteking of trauma. Er kan
ook sprake zijn van syringomyelie waarbij er een verbinding is met het centrale
kanaal in het ruggenmerg. In dit geval is er sprake van een verstoring in de
normale stroom van de vloeistof in het ruggenmerg naar de subarachnoidale ruimte
(zie figuur 1.) Dit laatste kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een
verkeerd aangelegde bloedvatstructuur.
Bij
gezonde individuen wordt de cerebrospinale vloeistof geproduceerd in holtes in
de hersenen en komt via deze holtes in het centrale kanaal van het ruggenmerg.
De vloeistof passeert dan naar de subarachnoidale ruimte waar het wordt
geresorbeerd.
|

|
Figuur
1:
Een
dwarsdoorsnede van een wervellichaam met daarin het ruggenmerg.
1.
het centrale kanaal in het
ruggenmerg.
2.
de subarachnoidale ruimte.
3.
wervellichaam.
4.
ruggenmerg
(van:
Worthman, R. The nerve of that dog. Washington State University, 1960)
|
Naar
de exacte ontstaanswijze van syringomyelie wordt onderzoek gedaan, tot op heden
is de precieze oorzaak nog onbekend.
De
aandoening wordt met name gezien bij de kortschedelige hondenrassen (hierbij is
de Engelse Bulldog een uitzondering); de lengte van de schedel is niet de enige
bepalende factor.
Syringomyelie
is een bekend probleem bij de King Charles Spaniel en is ook bekend bij de
Weimaraner.
Andere
rassen waarbij het gezien wordt zijn Yorkshire Terrier, Chihuahua en Boston
Terrier.
De
veranderingen treden vaak al op jonge leeftijd op, maar de klachten kunnen pas
later optreden of verergeren in de loop van de tijd. Dit komt doordat de
holtevorming bij syringomyelie vaak progressief is, waarbij er op een gegeven
moment ruggenmergweefsel kapot kan gaan, wat vervolgens tot klinische klachten
kan gaan leiden.
De
verschijnselen kunnen acuut zijn of langzaam verergeren over weken tot jaren. De
klachten zijn afhankelijk van de localisatie van de beschadiging in het
ruggenmerg en kunnen bestaan uit:
Bij
de King Charles Spaniel:
-
Pijn
met name in het nekgebied, dit is niet constant aanwezig.
-
Ze
kunnen overgevoelig reageren bij aanraking aan 1 kant van de nek, schouder,
oor of borstbeen.
-
De
honden krabben vaak op 1 plek bij de schouder, oor, nek of borstbeen.
Typisch is dat het steeds aan 1 zijde is en dat het zonder huidcontact kan
zijn.
-
Soms
ontstaat er slapte in voor en achterhand en kan er een waggelende gang
ontstaan.
-
Mogelijk
kan er ook verlamming optreden van de aangezichtsspieren en kan er doofheid
optreden.
-
Epilepsie
Bij
de King Charles Spaniel blijkt bijna 50% van de dieren de aandoening in meer of
mindere mate te hebben. Er wordt aangenomen dat het een overerfbare aandoening
is. De manier waarop is echter nog onbekend.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_neurologischaandoening_syringomyelie.htm
>
naar boven <

"droge
ogen syndroom"
De
medische naam voor deze aandoening is Keratoconjunctivitis Sicca of kortweg KCS.
Hiervan
spreken we wanneer kleinere of grotere delen van het hoornvlies uitdrogen.
Dit
kan plaats vinden door een verkeerde samenstelling van de traanfilm of een te
lage traanproductie.
Het
is een aandoening die regelmatig bij de hond voorkomt en soms bij de kat.
De
aandoening komt bij zowel rashonden als bij kruisingen voor. Rassen waarbij het
vaker gezien wordt zijn bijvoorbeeld de teckel (langhaar), Engelse Bulldog,
Cocker Spaniel, Cavalier King Charles Spaniel en de West Highland White terrier.
Bij de katten zie je het meer bij de grootogige en vaak kortneuzige rassen.
Er
zijn meerdere oorzaken mogelijk waardoor het probleem optreedt. Zo kan het een
aangeboren afwijking van de traanklieren zijn, het kan veroorzaakt worden door
tumoren, door ontstekingen of trauma van de traanklier (onder andere door
chirurgische verwijdering van het derde ooglid!). Vaak speelt echter het
afweersysteem van het dier zelf een rol in het ontstaan van het ziektebeeld.
Bij
een patient die lijdt aan KCS kan je zien dat het reflectiebeeldje dat normaal
op het hoornvlies aanwezig is, minder mooi wordt. Er ontstaat vervolgens een
oogontsteking met pussige uitvloeiing. Het hoornvlies kan zo ernstig uitdrogen
en ontstoken raken, dat het gezichtsvermogen tijdelijk of permanent verloren
raakt. Daarnaast is het een erg pijnlijke aandoening...
Er
bestaat een eenvoudige methode om de traanproductie op te meten. Indien nodig
kan bij een specialist oogheelkunde de globale traanfilmopbreektijd bepaald
worden om de kwaliteit van de traanfilm te bepalen.
Wanneer
uw hond of kat deze ziekte heeft, is het meestal nodig om het dier levenslang te
behandelen met een of meerdere medicijnen. Welke medicatie er precies nodig is
en in welke frequentie, is afhankelijk van het individuele dier en de respons op
de ingezette behandeling. De prognose is in het algemeen beter bij patienten
waarbij de aandoening vroegtijdig wordt gediagnosticeerd en behandeld.
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_oogaandoening_drogeogensyndr.htm
>
naar boven <

entropion
:
(het
naar binnen krullen van de oogleden)
Onder
entropion wordt verstaan het naar binnen krullen van (delen van) de ooglidrand.
Vaak kunnen hierdoor de haren van de ooglidrand vervolgens de oogbol gaan
irriteren.
Door
de pijnlijkheid van dit euvel kan het dier zijn oogbol wat terugtrekken,
waardoor het ooglid weer verder kan omkrullen. Dit kan dan leiden tot een
vicieuze cirkel.
Entropion
van het onderooglid komt regelmatig voor bij de Chow Chow, Shar Pei, Bouvier,
Duitse Staande hond, Labrador Retriever en Rottweiler.
Entropion
in de ooghoek komt samen met een te ruime, ruitvormige oogspleet, nogal eens
voor bij de St. Bernhard en de Duitse Dog (Figuur 1).
 |
Figuur
1:
Een
ruitvormige oogspleet bij een Duitse Dog
|
Entropion
in de ooghoek aan de neuszijde komt veel voor bij kortneuzige honden- en
kattenrassen.
Entropion
ontstaat door niet goed functionerende spiertjes in de huid rondom de ogen.
Verder zijn van belang de vorm van de schedel, de anatomie van de oogkas en de
hoeveelheid en de aard van eventuele huidplooien rond het oog.
Het
is meestal het gevolg van een erfelijke afwijking waarbij meerdere genen een rol
spelen.
Het
kan matige tot ernstige verschijnselen geven, variërend van een tranend oog met
of zonder etterige uitvloeiing tot ernstig opgezette oogslijmvliezen,
beschadiging van hoornvlies en zelfs blindheid of het verlies van het oog.
Indien
uw hond/kat mogelijk entropion vertoont is het zaak om er op tijd naar te laten
kijken door uw dierenarts. Indien er behandeld wordt voordat er ernstige
beschadigingen zijn opgetreden is de prognose gunstig.
Noot:
Het is dan verstandig om, indien het om een fokdier gaat, niet meer met dit dier
te fokken.
Hieronder
een voorbeeld van een correctie van entropion:
 |
Figuur
2:
Na
het scheren voor de entropion operatie (de littekens die aan het
onderooglid te zien zijn, zijn een overblijfsel van een
vorige, elders uitgevoerde en niet gelukte correctie).
Duidelijk
is te zien dat het onderooglid naar binnen krult.
|
 |
Figuur
3:
Direct
na de operatie, nog voordat de narcose is uitgewerkt.
|
 |
Figuur
4:
Na
het wakker worden uit de narcose, waarbij door de operatie
(zwelling als gevolg van het snijden en hechten in dit gevoelige
gebied) het ooglid iets van het oog afstaat.
Dit
fenomeen trekt na een aantal dagen helemaal bij.
|
 |
Figuur
5:
Het
uiteindelijke resultaat (net voor het verwijderen van de hechtingen,
helaas was de foto die gemaakt is na het verwijderen van de
hechtingen niet scherp).
|
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_oogaandoening_entropion.htm
>
naar boven <

pra:
progressieve
retina atrofie
Hieronder
wordt verstaan een groep van erfelijke aandoeningen waarbij het netvlies in
functie achteruit gaat.
De
belangrijkste vormen van PRA worden gekenmerkt door voortschrijdende en
onomkeerbare afwijkingen aan met name de zogenoemde staafjes in het
netvlies,waarbij ook andere netvliescomponenten achteruit gaan.
Afhankelijk
van de vorm wordt PRA gezien als overerfbare aandoening bij de Abessijn en de
Siamees.
Ook
wordt er een vorm van PRA (te weten: centrale PRA of PED (pigment epitheel
dystrofie)) gezien bij de Briard, Golden en Labrador Retrievers, Collies, Cocker
Spaniels, Shetland Sheepdogs, Springer Spaniels en de Welsh Corgi.
Ook
is er een zeldzame vorm (namelijk: erfelijke dagblindheid) bij de Alaskan
Malamute aangetroffen.
Van
de gegeneraliseerde PRA (erfelijke nachtblindheid) zijn 5 vormen te
onderscheiden; het onderscheid zit hem hier met name in de leeftijd waarop de
klachten voor het eerst optreden.
Bijvoorbeeld,
als de staafjes en kegeltjes verkeerd zijn aangelegd dan degenereren ze al
vroeg. Nachtblind treedt dan binnen de eerste 6 levensmaanden op en met 1-2 jaar
is de patiënt volledig blind. (bv bij de Ierse- en Gordon Setter, Collie,
Teckel ruwhaar en de Abesijn en Pers).
Bij
de laat beginnende degeneratievormen zijn de staafjes normaal aangelegd en
begint de degeneratie laat. (3-5 jaar nachtblind en blind op 6-9 jaar). Dit zien
we bijvoorbeeld bij de Poedel, Drentse Patrijs, Engelse Cockerspaniel enzovoort.
Ook
zijn er nog allerlei tussenvormen; nachtblind op 1-2 jaar en blind op 3-5 jaar,
bv bij de Dwergschnauzer , Tibetaanse Terriër, Labrador Retriever, Abessijnse
kat).
Tenslotte
zijn er ook rassen waarbij de vroege en late vorm beide voorkomen (Teckel, Ierse
Setter)
Deze
vormen erven allen enkelvoudig recessief over, op een enkele uitzondering na.
Verder zijn
de
symptomen van deze vormen van centrale PRA gelijk. In het begin zie je een
verlies van gezichtsvermogen tijdens de schemering. Uiteindelijk wordt het dier
geheel blind.
Er
bestaat helaas geen therapie voor de dieren die aan PRA leiden.
Voor
de preventie is het van belang dat er niet gefokt wordt met dieren die lijder
zijn en liever ook niet met dieren die het vererfd hebben
Bron:
http://www.dierenkliniektiel.nl/ZI/ZIhond/ZIhond_oogaandoening_pra.htm
>
naar boven <

|